IRIDACEAE Lissenfamilie
Kruidachtige planten met een wortelstok of knol. BLOEM: vergroeibladig, radiaal- of tweezijdig (Iris) symmetrisch, bloembladen 6, meeldraden 3; stijl 1, stijltakken 3. VRUCHT: doosvrucht. NECTAR: bij Iris onder in de bloem drie nectarbuisjes gevormd door de nagel van de buitenste bloemdekbladen en de stijltakken; bij Crocus 3 verzonken nectar klieren in het vruchtbeginsel. MILIEU: krokussen groeien op vrij droge tot vochtige, schrale tot voedselrijke overwegend minerale bodems; volle zon tot licht beschaduwde plaatsen. Beheer: in grasland mogen krocussen pas worden gemaaid na het afsterven van het loof.
Crocus tommasinianus Boeren krocus
Knol: bloeit in februari-maart, lila tot blauwachtig; 0,1-0,15 hoog. MILIEU: vrij droge tot vochtige, schrale tot voedselrijke bodems; vooral op buitenplaatsen, stinzen en tuinen; in grasland en onder loofhout; licht beschaduwd-zonnig. VERSPR: de Balkan; vroeger in hoofdzaak op buitenplaatsen en stinzen; tegenwoordig vaak in tuinen en openbaar groen. FAUNA: hom en honingbijen. OPMERK: sterk reproductief in tuinen; kan vooral in open grond dominantie worden wat een indrukwekkend beeld oplevert, maar het betekent ook een massa loof dat tot in mei moet afsterven. De plant is vrij gevoelig voor wind en regen en doet het beter in de beschutting van beplantingen dan in open grasland. Dracht: levert nectar en veel oranje stuifmeel code 5
Crocus vernus Bonte krocus
Knol: bloeit in februari-maart, paars of wit al dan niet met paarse strepen; 0,1-0,2 hoog. MILIEU: zie bij familie. VERSPR: Midden- en Zuid-Europa zeer veel aangeplant en verwilderd. FAUNA: hom en honingbijen. OPMERK: verwildert goed, maar kan ook sterk teruglopen. De plant is in verhouding tot boedenkrocus beter bestand tegen wind en regen. Dracht: levert nectar en veel oranje stuifmeel code 5
|